Mensen & bedrijven
voedselveiligheid

Meer regels, wetten, voorschriften met verscherpte grenswaarden van stoffen moeten een zo veilig mogelijk leven en voedsel garanderen in de EU. Ergens ligt er een balans tussen praktisch en panisch, tussen ratio en emotie, maar we zijn als de dood voor de dood. Met het voorzorgsprincipe wordt daarom de grens tussen echte risico’s en vermeende gevaren steeds vaker overschreden. Volgens toxicoloog en hoogleraar Peter Boogaard is Europa daarin doorgeschoten. Reinout Burgers sprak met hem.

Door Reinout Burgers – Foodlog

Nagenoeg alles op deze wereld is in de juiste dosering schadelijk of zelfs dodelijk voor de mens. Eén eetlepel zout in een keer opeten, kan fataal zijn, maar verspreid over de dag zal niemand hier veel hinder van ondervinden. De meeste mensen weten ook wel dat ze geen liters water achter elkaar moeten drinken en dat het aangaan van de ‘cinnamon challenge’ ook niet erg verstandig is. Het wordt anders als een substantie niet bekend en het gebruik ervan niet vanzelfsprekend is. Onbekend maakt onbemind en daardoor worden mensen alert en angstig. Geconfronteerd met ‘vreemde’ stoffen zoals fipronil, formaldehyde, benzeen en glyfosaat wint de emotie het van de ratio, niet alleen bij de burger, maar ook bij mensen die beter zouden moeten weten, zoals beleidsmakers en politici.

Nauwelijks kritiek

Zeker wat voedsel betreft, luidt het credo ‘better safe than sorry’. Dat uitgangspunt ondervindt nauwelijks kritiek, want wie kan nu bezwaar hebben tegen toepassen van het voorzorgsprincipe als het gaat om voedselveiligheid? Peter Boogaard, buitengewoon hoogleraar van Wageningen UR en Shell toxicoloog, durft er wel de nodige vraagtekens bij te plaatsen. Als toxicoloog kent hij de wereld van chemie en wetenschap, maar als ervaren bergbeklimmer weet hij als geen ander het verschil tussen een gecalculeerd risico en potentieel gevaar.
“In 2000 besloot de EU-commissie tijdens de BSE-affaire dat het voorzorgsprincipe de basis zou worden voor de regelgeving. Hoewel nog steeds niet precies duidelijk is hoe BSE de Ziekte van Creutzfeldt-Jacob kan veroorzaken, waren de aanwijzingen heel duidelijk dat dit met BSE besmet rundvlees te maken had. Het voorzorgsprincipe werd gehanteerd en achteraf blijkt dat er goed gehandeld is.”

Politieke noodrem

Bij BSE waren de aanwijzingen zeer sterk. Er zijn echter ook tal van situaties waarin de aanwijzingen helemaal niet zo duidelijk zijn en waarbij toch het voorzorgsprincipe wordt toegepast. Boogaard: “Met het voorzorgsprincipe op zich is niets mis, maar het gaat er wel om hoe je het toepast. Het wordt nu vaak te snel gebruikt als een politieke noodrem, waar in paniek aan getrokken wordt. We weten bijvoorbeeld vrij zeker dat je longkanker kunt krijgen van roken, radon en asbest, maar voor leukemie veroorzaakt door hoogspanningsleidingen bestaat geen echt bewijs. Toch zie je dat gemeenten en provincies onder invloed van de maatschappelijke druk het voorzorgsprincipe gebruiken om de hoogspanningsleidingen ondergronds te krijgen. Als je het voorzorgsprincipe toepast, moet er wel een echte aanleiding zijn, niet alleen als iemand iets heel hard roept. Mensen die tegen iets zijn, schreeuwen namelijk het hardst.”

Eenzijdige kennis

Volgens Boogaard is het grote probleem het gebrek aan basiskennis bij de personen die besluiten nemen. “Die kennis is eenzijdig omdat deze vrijwel volledig is gebaseerd op de effecten van medicijnen en bestrijdingsmiddelen, dat wil zeggen op stoffen die ontworpen zijn om een biologisch effect te hebben. De veronderstelling is dan dat elke chemische stof een biologisch effect heeft, maar dat is lang niet altijd zo. De meeste chemische stoffen zijn niet ontworpen om een biologisch effect te hebben en het merendeel heeft ook geen effect bij kleine blootstellingen. Niet elke chemische stof vormt een risico.”

Het gebrek aan basiskennis zorgt ervoor dat de politiek doorschiet bij het toepassen van het voorzorgsprincipe. “Op dit moment speelt bijvoorbeeld een discussie over de grenswaarden van benzeen. De Europese politici willen extra veiligheidsfactoren, omdat nog niet alles bekend is over benzeen. Ze twijfelen over de zogenaamde ‘remaining uncertainties’, maar er zijn weinig stoffen waarvan we zo goed weten wat ze doen als van benzeen. Hoeveel extra veiligheid wil je inbouwen voor iets waar men een op angst gebaseerde twijfel over heeft? Het zit in de menselijke natuur dat als mensen een kleine beetje kennis van een onderwerp hebben, ze nog krampachtiger reageren dan als ze niets zouden weten.”

Onbewuste tegenstrijdigheid

Het gebrek aan kennis leidt ook tot inconsistentie in het denken. Boogaard: “Elke nuance over risico’s ontbreekt. Ons dagelijks eten zit vol stoffen, die in grote hoeveelheden giftig zijn, zoals solanine in aardappelen. Als we de veilige limiet (ADI, acceptable daily intake) zouden hanteren, zouden we niet meer dan een halve gram aardappelen per dag mogen eten. Isopreen, de grondstof voor rubber, geldt als mogelijk kankerverwekkend, maar in een dennenbos komt van nature zoveel isopreen vrij dat je bij het maken van een boswandeling al een aanzienlijk risico zou lopen.”

Een ander voorbeeld is formaldehyde, dat sinds vorig jaar niet meer gebruikt mag worden om veevoer te ontsmetten, omdat het kankerverwekkend zou zijn. Er is echter geen enkel onderzoek waaruit blijkt dat mensen door formaldehyde kanker hebben gekregen. Ook het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat is een voorbeeld van krampachtig gebruik van het voorzorgsprincipe.
Boogaard: “Glyfosaat zou kankerverwekkend zijn en door hormoonverstoring obesitas veroorzaken, maar dat is hooguit een correlatie. Er bestaat ook een correlatie tussen obesitas en het aantal sportschoenen dat mensen hebben. Hoe meer sportschoenen iemand heeft, hoe dikker hij gemiddeld is. Onzin dus, er is helemaal geen causaal verband tussen glyfosaat en kanker of obesitas. Maar mensen willen graag causale verbanden zien – het is bijna een bijgeloof.”

Het probleem is dat alles wat chemisch is door de maatschappij per definitie als gevaarlijk voor de volksgezondheid wordt beschouwd. Elk chemisch bedrijf – dus ook Shell – heeft de maatschappelijke opinie tegen en wordt constant onder een vergrootglas gelegd. Boogaard: “In dat opzicht heeft de landbouw overeenkomsten met de chemische sector.” Om te voorkomen dat de maatschappelijke opinie verslechtert, publiceert Shell elk onderzoek, negatief of positief. “We kunnen eventuele negatieve bevindingen beter zelf openbaar maken, dan dat anderen dat doen.”

Nadelige effecten

Het te snel en te krampachtig toepassen van het voorzorgsprincipe kan dan wel positief uitpakken voor de maatschappelijke en politieke gemoedsrust, maar de negatieve gevolgen zijn soms groot. Anders gezegd: Voorkomen is niet altijd beter. Voor het bestrijden van onder meer salmonella in veevoer moet nu een alternatief voor formaldehyde worden gevonden. De vraag is of er daardoor niet meer salmonellabesmettingen bij dieren, en wellicht ook in het voedsel, zullen optreden.

Boogaard: “Je kunt jezelf afvragen of het niet eten van een appel met gif niet ongezonder is dan het eten van helemaal geen appels. Bij toepassen van het voorzorgsprincipe wordt dat soort overwegingen niet gemaakt. Van Bisfenol A bijvoorbeeld, dat onder meer voor polycarbonaat flessen wordt gebruikt, is de grenswaarde recent aangescherpt. Desondanks mag het – uit voorzorg – niet meer in babyflesjes worden gebruikt. De risico’s dat een baby wordt verwond door een glazen flesje zijn echter vele malen groter, dan het nooit aangetoonde risico op hormoonverstoring door blootstelling aan Bisfenol A.”

Fipronil is een ander schrijnend voorbeeld dat te strenge grenswaarden grote gevolgen kunnen hebben. Doordat de overheid de strengere maximale residulimiet van 0,005 milligram per kilogram ei hanteerde, werden alleen al in Nederland meer dan 3,5 miljoen kippen geruimd en zeker 150 miljoen eieren vernietigd, waardoor de Nederlandse pluimveesector een schade leed van meer dan 70 miljoen euro. Terwijl de volksgezondheid nooit in gevaar geweest is, is de kans dat een pluimveehouder zelfmoord pleegt of zwaar depressief wordt, substantieel gestegen.

Boogaard: “Bij een dreigende situatie van een gifwolk moet een burgemeester zich afvragen wat de negatieve gevolgen zijn van een chaotische evacuatie. Als er mensen door deze evacuatie dood gaan, is dat dan niet erger dan een gifwolkje dat mensen ziek maakt? Tijdens de fipronilaffaire schreeuwde de NVWA in het begin moord en brand en nam bijna in paniek desastreuze maatregelen, die volstrekt zinloos waren. Geen mens was ooit in gevaar. Het zitten aan de veilige kant, als je iets niet zeker weet of twijfelt, is dus een maatschappelijk kostbare zaak.”

Meer kennis nodig

Boogaard denkt dat het gebrek aan chemische basiskennis van beleidmakers, politici en wetenschappers er voor zorgt dat er steeds weer de extreem veilige weg gekozen wordt. Hij pleit er daarom voor dat meer echte deskundigen met praktische kennis worden aangesteld die wel de juiste overwegingen kunnen maken en onderzoeken correct kunnen interpreteren. In de Europese Unie zie je nu precies het omgekeerde gebeuren: het Scientific Committee for Occupational Exposure Limits (SCOEL) dat uit louter deskundigen bestaat, wordt opgeheven en haar taken gaan naar het Risk Assessment Committee (RAC) waarin vrijwel geen enkele deskundige op het vlak van blootstellingslimieten zit. Ten gevolge daarvan worden er nu opeens extreem lage blootstellingslimieten voorgesteld die onnodig zijn en een een desastreus effect op de Europese economie zullen hebben omdat de industrie naar landen buiten de EU zal worden verplaatst.

Boogaard: “Omdat er te weinig kennis aanwezig is, is er onnodige angst voor het onbekende en die angst is een slechte raadgever. De negatieve berichtgeving wordt zwaarder gewogen dan de positieve. Er kunnen honderd rapporten zijn die aangeven dat iets veilig is, maar als er één onderzoek is dat aangeeft dat een stof mogelijk gevaar oplevert, is dat bepalend.”

Het scheve beeld wordt nog eens versterkt doordat vaak alleen onderzoeken worden gepubliceerd die een effect laten zien. Als er niets gevonden is, kan het onderzoek nauwelijks gepubliceerd worden. Omdat wetenschappers afhankelijk zijn van het aantal publicaties willen ze het liefst onderzoek doen met een positief resultaat of ze dikken de resultaten zelfs aan. Er is dus een publicatie-bias in het voordeel van publicaties die een effect laten zien. Ik ben er een voorstander van dat ook onderzoek dat geen resultaat heeft opgeleverd, wordt gepubliceerd. Elke wetenschapper weet dat er meer van dat soort onderzoeken zijn dan onderzoeken die wel een effect laten zien.”

Dit artikel verscheen in de vijftiende printeditie van Vork. Via Foodlog kun je met korting een abonnement op Vork nemen.

Deel dit artikel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *